Tussen de vele zeehonden in de verte, op de zandbanken voor de kust valt hij me op. De witte zeehond. De afstand is groot, te groot eigenlijk om hem beter te kunnen bekijken. Door de deining van de boot waarop ik mijn reis begonnen ben krijg ik hem ook niet goed in beeld. Ingespannen tuur ik naar de contouren van het witte wezen daarginds op de zandbank. Op de kleine golven van de zee weerkaatst zoveel zonlicht dat het me bijna verblindt. De witte zeehond komt in Een met het licht, zo lijkt het. Ik sluit mijn ogen en op geleide van de geur van de zee, de wind in mijn haren en de geluiden om mij heen glijd ik terug naar wat ik eens droomde in de sereniteit van een langzaam ontwaken vanuit een zeer diepe slaap. Een soort Twilight.
Ik zweefde in een grenzeloos lege ruimte vol van licht. Ik was alleen, maar het voelde niet zo. Om mij heen zag een veelheid aan intens blauwe kleurschakeringen. Verder was er niets en toch zoveel. Sereen, zo voelde het. De tijd deed er niet toe.
Ineens was daar de schittering van zonlicht op `n strakblauwe zee. Zover ik kon kijken was er geen horizon te bekennen. Geen scheiding tussen hemel en aarde. Het voelde onbestemd, maar ook dat deed er niet toe.
Ik zag hoe zich boven het water langzaam een nevelsluier vormde. Daarin leek het licht te worden opgezogen. Eindeloos ging dat door. Tot er een soort slurf ontstond die sierlijk bewegend opsteeg vanuit de lichtnevel. Ademloos volgde ik het schouwspel en ik vroeg me af of het wel echt was. Tegelijk vond ik, dat ook dat er niet toe deed.
Ik draaide om mijn as en kwam in stand. Op `n rots, `n wit marmeren rots. En middenin de weer tevoorschijn gekomen strakblauwe zee met het weerkaatsende zonlicht stond plots een witte olifant. Op een wit marmeren plateau dat steeds hoger boven de waterlijn uitkwam. Het tij keerde, het werd eb.
Alle nevel was verdwenen; ik had vol zicht op de witte olifant. Hij leek ver weg en toch zo nabij. Maar wat doet een gemeten afstand er toe? Helemaal niets.
En zo werd ik wakker, met een gevoel van gelukzaligheid. De droom is mij altijd bijgebleven en vele jaren later las ik dat een witte olifant in diverse religies als een symbool wordt beschouwd van voorspoed en verlichting.
Ik open mijn ogen en zie dat de witte zeehond op de zandbank alle ruimte heeft gekregen van zijn groepsgenoten. Hij ligt nu alleen en koestert zich aan het warme zonlicht. Hij lijkt naar me te zwaaien met z`n omhoog geheven staartvinnen. Ineens voel ik contact met hem. Wij kijken elkaar aan en hij lijkt te zeggen: Wat maakt het uit dat ik geen olifant ben? Gij hebt mij gezien, gegroet en ontmoet. In wezen zijn wij in Een in Al … wadderend in het Licht.